Alle agilitytoestellen uitgelegd
Hordes, tunnels, slalom, schutting, loopplank en wip: een heldere gids over elk FCI-agilitytoestel, hoe het beoordeeld wordt en wat honden er het moeilijkst aan vinden.
Een agilityparcours ziet eruit als een speeltuin, maar elk toestel heeft precieze specificaties en eigen regels. Als je weet hoe elk toestel werkt en waarom honden er fouten op maken, word je een betere trainer en een betere toeschouwer.
Alle afmetingen hieronder komen uit het huidige FCI-agilityreglement (van kracht sinds 1 juli 2025). De toestellen zijn overal grotendeels dezelfde, maar hoogtes en sommige details verschillen per organisatie. In België is VOE lid van de internationale federatie IFCS en gebruikt DSAB de vijf spronghoogtes van de World Agility Open, dus kijk het reglement na van de organisatie waar je traint en wedstrijden loopt.
De FCI deelt de toestellen in drie families in: sprongen, contacttoestellen en andere.
Sprongen
Enkele horde
Het meest voorkomende toestel op elk parcours. Een horde is één lat die in houders tussen twee vleugels rust. Een standaard wedstrijdset telt minstens 14 hordes, en elk parcours moet minstens zeven sprongen bevatten.
- Hoogte: S 25–30 cm, M 35–40 cm, I 45–50 cm, L 55–60 cm
- Breedte: 120–130 cm
- Lat: hout of veilig synthetisch materiaal (geen metaal), 3–5 cm diameter, met minstens drie segmenten in contrasterende kleuren
Beoordeling: de lat afgooien kost 5 fouten. Ernaast lopen of onder de lat door gaan is een weigering (ook 5 fouten, en die moet gecorrigeerd worden).
Trainingstip: afgegooide latten zijn meestal een probleem van handling of springtechniek, niet van te weinig inzet. Met gridwerk, waarbij de hond over een rij lage latten op vaste afstanden springt, leert een hond zijn afzetpunt inschatten.
Dubbele horde
Twee enkele hordes tegen elkaar geplaatst, met de latten in oplopende hoogte en 15 tot 25 cm hoogteverschil. De totale diepte mag niet meer bedragen dan 30 cm (S), 40 cm (M), 45 cm (I) of 50 cm (L). Dubbele hordes zijn niet toegestaan in klassen van niveau 1 en moeten altijd zo staan dat de hond er recht op af kan komen.
Muur
Een massief ogende horde opgebouwd uit losse elementen, met bovenaan 3 tot 5 halfronde stukken die vallen als ze geraakt worden. De hoogtes zijn dezelfde als die van de hordes in elke categorie. Sommige honden springen voorzichtiger over een muur omdat ze er niet door kunnen kijken; andere moeten oefenen om hem ernstig te nemen.
Band
Een ring met een opening van 50–60 cm waar de hond doorheen springt. Het midden van de opening ligt op 80 cm (L), 70 cm (I) of 55 cm (S en M) van de grond. Moderne banden zijn breekbaar: ze vallen in twee tot vier delen uiteen bij een kracht die overeenkomt met 8 kg, om honden te beschermen die zich verrekenen.
Beoordeling: valt de band uit elkaar terwijl de hond erdoor springt, dan is dat 5 fouten. Breekt hij omdat de hond weigert, dan wordt het team gediskwalificeerd. Tussen het frame en de band door springen is een weigering.
Verspringen
Twee tot vier lage elementen in oplopende hoogte (15 tot 28 cm), met markeerpalen op de vier hoeken. De totale lengte is 40–50 cm (S), 70–90 cm (M), 90–110 cm (I) of 120–150 cm (L).
Beoordeling: op een element trappen of het omgooien is een fout; ernaast lopen, er langs de zijkant in- of uitlopen, of niet over de hele sprong gaan is een weigering. De hoekpalen raken wordt niet bestraft.
Het verspringen wordt vaak onderschat. Honden hebben een rechte aanloop en voldoende snelheid nodig, en geleiders vermijden best dat hun hond in de lucht moet draaien.
Contacttoestellen
Contacttoestellen zijn de toestellen waar de hond overheen loopt in plaats van overheen springt. Elk heeft onderaan de hellingen een gekleurde contactzone (nooit wit, zwart of bruin). De hond moet de afloopzone raken met minstens één poot of een deel van een poot. Mist hij die, dan kost dat 5 fouten.
Schutting
Twee hellingen die samen een steile omgekeerde V vormen.
- Hoogte van de top: 170 cm voor alle categorieën
- Lengte van de hellingen: 265–275 cm, breedte minstens 90 cm
- Contactzone: de laatste 106 cm van elke helling
Beoordeling: de hond moet de oploophelling met alle vier de poten raken, anders volgt diskwalificatie. Eraf springen voor de afloophelling is een weigering. De afloopzone missen is 5 fouten.
Op de schutting winnen of verliezen grote honden de meeste tijd, en daar zie je ook het vaakst contactfouten doordat honden eroverheen springen. De meeste geleiders trainen ofwel een running contact (lopend contact) ofwel een stoppositie (zie Contactzones: lopend of stoppend).
Loopplank
Een smalle brug van planken: een oploophelling, een horizontale plank en een afloophelling.
- Hoogte: 120–130 cm
- Lengte van de planken: elk 360–380 cm, breedte 30 cm
- Contactzones: de laatste 90 cm van elke helling
De smalle plank van 30 cm vraagt veel evenwicht en zelfvertrouwen van een hond op snelheid. Net als bij de schutting moeten alle vier de poten de oploophelling raken, en het toestel verlaten voor de afloophelling telt als een weigering.
Wip
Een plank op een draaipunt, 60 cm hoog in het midden. Als de hond voorbij het draaipunt komt, kantelt de plank en komt ze op de grond terecht. De FCI bepaalt dat de plank met 1 kg op de afloopzone binnen 2 tot 3 seconden moet kantelen, zodat ook kleine honden haar naar beneden krijgen.
Beoordeling: de hond moet zowel de oploop- als de afloopzone raken. Eraf springen voor het draaipunt is een weigering; het toestel verlaten voor de plank de grond raakt, is een fout.
De wip is het enige toestel dat onder de hond beweegt, dus het vraagt een zorgvuldige, positieve kennismaking. Een hond die schrikt op de wip, kan weken nodig hebben om zijn zelfvertrouwen terug te vinden. Begin met een verlaagde plank en laat de hond leren meegaan met de beweging.
Andere toestellen
Tunnel
Een flexibele buis met een diameter van 60 cm en een lengte van 3 tot 6 m, recht of gebogen gelegd (in U-, C- of S-vorm). Tunnels moeten altijd volledig uitgetrokken zijn en worden vastgelegd met zandzakjes (minstens één per meter). Een parcours mag hoogstens vijf tunnelpassages bevatten.
Honden zijn dol op tunnels, soms te dol. Een hond die naar de tunnel wordt "gezogen" en de tunnel neemt in plaats van het toestel ernaast (tunnel suck), is een van de klassieke fouten in agility en een mooie test voor je handling.
De zaktunnel (de "zak"), die vroeger bij agility hoorde, staat om veiligheidsredenen niet meer op de FCI-lijst van toestellen.
Slalom
Twaalf rechtopstaande paaltjes, 100–120 cm hoog en 60 cm uit elkaar, waar de hond doorheen moet zigzaggen. De slalom moet op elk parcours staan en mag maar één keer genomen worden.
Beoordeling: de hond moet ingaan met het eerste paaltje aan zijn linkerschouder. Een verkeerde ingang is een weigering (5 fouten); verdere vergissingen in dezelfde poging kosten één fout (5 punten). De hond moet de fout corrigeren, ofwel op de plaats van de vergissing, ofwel vanaf het begin. Achterwaarts door meer dan twee poortjes slalommen is diskwalificatie.
De slalom is het meest technische toestel om aan te leren en het toestel waar beginners zich het meest zorgen over maken. We vergelijken populaire methodes in De slalom aanleren.
En de tafel?
Wie al wat langer meedraait, herinnert zich de tafel, waarop de hond vijf seconden moest wachten. Die staat niet meer op de FCI-lijst van toestellen, al gebruiken sommige nationale wedstrijden of clubwedstrijden haar misschien nog.
Start en finish
Het eerste en het laatste toestel moeten sprongen zijn. Bij elektronische tijdwaarneming staan de sensoren vlak naast die toestellen en bepalen ze de start- en finishlijn. Aan de start en de finish hoort er minstens 6 m ruimte te zijn zodat de hond in een natuurlijke lijn kan springen.
Parcoursregels die je best kent
- Parcoursen zijn 100–220 m lang en tellen 15 tot 22 toestellen.
- Op de looplijn van de hond ligt er minstens 5 m tussen opeenvolgende toestellen, en in een rechte lijn hoogstens 7 m.
- Agilityparcoursen moeten alle drie de soorten contacttoestellen bevatten.
- De geleider moet aan beide kanten langs elk toestel kunnen lopen.
Voor de volledige puntentelling, zie Het FCI-agilityreglement uitgelegd. Wil je zelf een parcours ontwerpen? Onze parcourstool waarschuwt als de afstanden of het aantal toestellen niet kloppen.
Toestellen veilig aanleren
- Eerst de basis. Lichaamsbewustzijn, bewustzijn van de achterhand en speeldrift maken elk toestel makkelijker.
- Verlaagde toestellen. Begin met lage latten, een verlaagde schutting en een korte, rechte tunnel.
- Eén nieuw ding tegelijk. Leer de wip niet aan op dezelfde dag als de slalom.
- Respecteer de groeischijven. Springen op volle hoogte en herhaalde contacttoestellen wachten best tot je hond fysiek volgroeid is. Lees Puppybasis voor toekomstige agilityhonden voor wat je wel kunt doen met een jonge hond.
- Train bij een club. Goede clubs hebben materiaal dat aan de wedstrijdnormen voldoet en trainers die weten hoe ze het moeten aanleren.