Het FCI-agilityreglement uitgelegd: klassen, hoogtecategorieën en fouten

Fouten, weigeringen, diskwalificaties, standaardparcourstijd, hoogtecategorieën en klassen: het internationale FCI-agilityreglement in begrijpelijke taal, met uitleg over hoe Belgische organisaties zoals VOE en DSAB daarin passen.

DelenSharePartager
Een weimaraner springt over een horde tijdens een agilitywedstrijd
Foto: Ron Armstrong from Helena, MT, USA, CC BY 2.0, via Wikimedia Commons

Agility lijkt eenvoudig: loop het parcours in de juiste volgorde, snel en foutloos. Maar het reglement bevat heel wat details die bepalen wie met de rozet naar huis gaat. In dit artikel leggen we de internationale regels van de Fédération Cynologique Internationale (FCI), de koepel van de meeste Europese kennelclubs, uit in begrijpelijke taal.

De bron is het FCI-agilityreglement, goedgekeurd in mei 2025 en van kracht sinds 1 juli 2025, met wijzigingen die in februari 2026 werden goedgekeurd. De FCI laat nationale organisaties uitdrukkelijk toe om de regels aan te passen voor nationale wedstrijden. In België richten organisaties zoals VOE (Hondenfederatie Vrienden onder Eén) en DSAB (DogSport Agility Belgium) hun eigen wedstrijden in, met hun eigen reglementen, klassen en promotieregels. De basisprincipes hieronder gelden overal, maar kijk altijd het reglement na van de organisatie waarbij je inschrijft. Onze gids Agilitywedstrijden lopen in België legt de Belgische details uit.

Hoogtecategorieën

Honden lopen in een van vier categorieën, op basis van hun schofthoogte (het hoogste punt van de schouderbladen):

Categorie Schofthoogte Hoogte horde en muur Midden van de band
S (Small) onder 35 cm 25–30 cm 55 cm
M (Medium) 35 tot onder 43 cm 35–40 cm 55 cm
I (Intermediate) 43 tot onder 48 cm 45–50 cm 70 cm
L (Large) 48 cm en meer 55–60 cm 80 cm

De categorie Intermediate kwam er in 2023 bij. Daarvoor moest een hond van 47 cm even hoog springen als een hond van 65 cm, wat zwaar was voor middelgrote rassen.

Honden in S, M en I worden meestal officieel gemeten door een keurmeester, en de hoogte wordt genoteerd in het prestatieboekje of de licentie van de hond. Een hond mag maar in één categorie lopen.

Klassen en niveaus

Er zijn twee soorten runs:

  • Agility: met de contacttoestellen (schutting, loopplank, wip).
  • Jumping: zonder contacttoestellen.

Elke soort heeft drie niveaus:

  1. Niveau 1: voor beginnende honden. Geen dubbele hordes.
  2. Niveau 2: voor honden die voldaan hebben aan de nationale vereisten om te promoveren. De FCI geeft als voorbeeld drie keer geklasseerd worden met een foutloze ronde.
  3. Niveau 3: het hoogste niveau. Het voorbeeld van de FCI: drie foutloze rondes met een plaats in de top drie op niveau 2.

De exacte promotiecriteria, en of honden ook kunnen degraderen, worden nationaal bepaald. Veel organisaties hebben daarnaast ook open of recreatieve klassen, teamruns en games buiten deze structuur.

Leeftijd en deelnamevoorwaarden

Volgens het FCI-reglement:

  • Nationale wedstrijden staan open voor honden ouder dan 18 maanden, met of zonder stamboom.
  • Internationale FCI-wedstrijden (waar de titel CACIAG kan worden toegekend) staan open voor honden ouder dan 24 maanden met een door de FCI erkende stamboom (inclusief registraties in een aanhangsel van het stamboek).
  • Honden moeten gechipt of getatoeëerd zijn, en geleiders hebben een geldig prestatieboekje of een geldige licentie van hun nationale organisatie nodig.
  • Drachtige teven, honden die ziek, gekwetst of niet fit zijn, en gedopeerde honden mogen niet deelnemen. Loopse teven zijn toegelaten op internationale FCI-wedstrijden.

Nationale organisaties kunnen voor nationale wedstrijden hun eigen vereisten vastleggen, dus de regels op een VOE- of DSAB-wedstrijd zijn niet noodzakelijk dezelfde als op een internationaal FCI-evenement.

Het parcours

  • De ring meet minstens 20 × 40 m.
  • Het parcours is 100–220 m lang met 15 tot 22 toestellen, waarvan minstens zeven sprongen.
  • De slalom moet op elk parcours staan; slalom, band en muur mogen maar één keer gebruikt worden.
  • Een agilityparcours moet alle drie de contacttoestellen bevatten.
  • Er zijn hoogstens vijf tunnelpassages toegestaan.
  • De natuurlijke geleidingskant moet minstens twee keer wisselen, zodat geleiders meer dan één kant van hun lichaam moeten tonen.

Voor de klasse begint, verkennen de deelnemers het parcours zonder hun hond. Oefenen op de toestellen is niet toegestaan. Zie Een agilityparcours verkennen. Wil je zelf een parcours volgens deze regels ontwerpen? Onze gratis parcourstool houdt rekening met de FCI-afstanden en het aantal toestellen.

Tijdens de run

  • De hond loopt zonder halsband of leiband. Een halsband dragen betekent diskwalificatie.
  • De geleider mag niets in zijn handen houden: geen speeltjes, geen snoepjes, zelfs de leiband niet.
  • De geleider mag overal staan en eender welke stemcommando's of signalen gebruiken, maar mag de hond en de toestellen niet aanraken.
  • De tijd start wanneer de hond de startlijn overschrijdt en stopt wanneer hij het laatste toestel in de juiste richting heeft genomen.

Fouten

Alle parcoursfouten tellen per 5.

Parcoursfouten (telkens 5)

  • Afgooien: een deel van een toestel (lat, muurelement, element van het verspringen) valt.
  • Gemiste contactzone: de hond raakt de afloopzone van de schutting of de loopplank niet, of een van beide contactzones van de wip.
  • Wip: de hond verlaat de wip voor de plank de grond raakt.
  • Band: de band valt uit elkaar terwijl de hond erdoor gaat.
  • Slalom: elke vergissing na de ingang (één fout per poging).
  • Aanraken door de geleider: de geleider haalt voordeel door de hond of een toestel aan te raken.

Het team loopt na een fout gewoon verder; de fout hoeft niet gecorrigeerd te worden.

Weigeringen (telkens 5, moeten gecorrigeerd worden)

  • De hond stopt voor een toestel, draait weg of loopt er voorbij.
  • Hij gaat onder een lat door of springt over een tunnel of een vleugel.
  • Hij steekt zijn kop of een poot in een tunnel en komt er weer uit.
  • Hij neemt het verspringen langs de zijkant.
  • Hij springt te vroeg van een contacttoestel (voor de afloophelling, of voor het draaipunt van de wip).
  • Een verkeerde ingang van de slalom.

Een weigering kan alleen gefloten worden als de hond aan de juiste kant van het toestel is. Weigeringen moeten gecorrigeerd worden: de hond moet het toestel opnieuw correct nemen voor hij verder mag.

Tijdfouten

Overschrijdt de hond de standaardparcourstijd (SPT), dan wordt het aantal seconden te veel (tot op de honderdste) als tijdfouten opgeteld. 2,37 seconden boven de SPT betekent 2,37 tijdfouten.

Diskwalificatie

Enkele redenen voor diskwalificatie:

  • Drie weigeringen.
  • Een toestel in de verkeerde volgorde of in de verkeerde richting nemen.
  • De maximale parcourstijd (MPT) overschrijden.
  • De oploophelling van de schutting of de loopplank niet met alle vier de poten raken.
  • Achterwaarts door meer dan twee poortjes van de slalom gaan.
  • De hond draagt een halsband, bevuilt de ring, verlaat de ring of is niet langer onder controle.
  • De geleider houdt iets vast, gaat over of onder een toestel, start voor het signaal van de keurmeester of traint op het parcours.
  • Ruw omgaan met de hond, of ongepast gedrag tegenover de keurmeester.

Word je gediskwalificeerd, dan verlaat je meteen de ring, tenzij de keurmeester je laat uitlopen.

Standaard- en maximale parcourstijd

  • De SPT op internationale FCI-evenementen (wereldkampioenschap, European Open, Junior Open) is de tijd van de snelste hond met de minste parcoursfouten plus 15%, afgerond op de dichtstbijzijnde seconde.
  • De SPT op nationale wedstrijden wordt vaak bepaald door de lengte van het parcours te delen door een gekozen snelheid. Een parcours van 160 m aan 4,0 m/s geeft een SPT van 40 seconden. De keurmeester kiest de snelheid afhankelijk van het niveau, de moeilijkheid en de ondergrond.
  • De MPT is de lengte van het parcours gedeeld door 2,5 m/s in agility of 3,0 m/s in jumping. Voor een agilityparcours van 160 m is dat 64 seconden.

Hoe het klassement werkt

  1. Het laagste totaal aan fouten (parcoursfouten + tijdfouten) wint.
  2. Bij een gelijk totaal aan fouten wint de snelste hond.

Een snelle hond met één afgegooide lat (5 fouten) kan dus winnen van een foutloze hond die 6 seconden te traag was (6 fouten). De resultaten worden genoteerd in het prestatieboekje of de digitale licentie van de hond en tellen mee voor promotie.

Overmacht

Grijpt er iets in waar de geleider geen controle over heeft, zoals een lat die door de wind afwaait of een toestel dat verschuift, dan kan de keurmeester de run stoppen, het parcours laten herstellen en het team opnieuw laten starten. Fouten van voor de onderbreking blijven gelden, en nieuwe fouten tellen pas vanaf het punt waar het team werd stilgelegd.

Gedrag en sportiviteit

De beslissing van de keurmeester is definitief. Ruw omgaan met je hond leidt tot onmiddellijke diskwalificatie en mogelijk een klacht. De organiserende club mag inschrijvingen weigeren. Kortom: wees lief voor je hond, beleefd tegen de vrijwilligers en keurmeesters, en vergeet niet dat iedereen er is voor het plezier.

Belgische nationale regels

In België zijn de meeste weekendwedstrijden nationale wedstrijden onder het reglement van de organiserende instantie. Elke organisatie heeft haar eigen licentie of prestatieboekje, klassenstructuur, promotieregels en seizoenskampioenschap. VOE en DSAB hebben allebei een volle kalender, en KKUSH (Sectie 4C) neemt als Belgisch FCI-lid de internationale FCI-wedstrijden en de selectie voor FCI-kampioenschappen voor zijn rekening. Lees onze complete gids over agility in België om te zien hoe ze verschillen.

Verder lezen